Hoe postmodern gewauwel de geesteswetenschappen sloopt

michel foucault, dumbass

Een aanzienlijke hoeveelheid geesteswetenschappelijke opleidingen is ondermaats, lezen we vandaag in de media. Met name geschiedenis en media- en cultuuropleidingen voldoen niet aan de standaard die kwaliteitswaakhond NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie) hanteert. Hoe dat komt? Er zijn vast meerdere redenen te bedenken, maar zou héél misschien ook het starre dogma dat op deze opleidingen heerst, debet zijn aan de twijfelachtige kwaliteit?

Tijdens mijn bacheloropleiding aan de universiteit kreeg ik vrijwel iedere collegereeks de opdracht kritisch naar diverse uitingen van de westerse cultuur te kijken. Steevast was de uitkomst van zulke beschouwingen dat die westerse cultuur een heleboel nare dingen had voortgebracht die door middel van ‘postmoderne ideologiekritiek’ moesten worden onthuld. Kolonialisme bijvoorbeeld, of seksisme en kapitalisme.

Letterenfaculteiten zijn inmiddels helemaal dichtgetimmerd door dit paradigma, ook wel poststructuralisme of kritische theorie genoemd. (Er zijn subtiele verschillen tussen deze termen, maar voor de reikwijdte van dit artikel zijn die minder relevant).

‘Dominante’ en ‘onderdrukte’ perspectieven

Poststructuralisme claimt dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat, enkel perspectieven die het zicht op de werkelijkheid kleuren. Maar omdat bepaalde mensen, instituten en groepen in de samenleving meer macht hebben dan andere, zijn sommige perspectieven volgens deze theorie dominant en andere onderdrukt. De onderdrukte perspectieven zijn vooral die van groepen die historisch gezien minder rechten hebben of hadden, zoals vrouwen, homo’s of etnische minderheden.

Door teksten waarvan je vermoedt dat ze vanuit het dominante perspectief zijn geschreven te ‘deconstrueren’, zou je de onderliggende machtsstructuren kunnen blootleggen en vervangen door een voorheen onderdrukt perspectief, waarbij je dus via taal de gevestigde orde afbreekt, misschien zelfs revolutie bedrijft.

Aanhangers van het poststructuralisme willen dus bewijzen dat onze waarden, normen, visies, aannames en het onderscheid dat we maken geen realiteit zijn, maar onderdeel van een hegemoniaal ‘discours’ dat is vermomd als realiteit.

Poststructuralisme is daarmee irrationeel (want machtsstructuren presenteren zichzelf als objectieve waarheid en moet je dus wantrouwen), relativistisch (niets heeft betekenis in zichzelf) en gek genoeg zelf enorm ideologisch getint: het werk van poststructuralisten is doorspekt met revolutionair taalgebruik.

Wordplay als academische vaardigheid

Belangrijk hierbij is dat taal als handeling wordt gezien. Als je via taal kunt onderdrukken, kun je ook revolutie bedrijven via taal, door de tekst in kwestie te deconstrueren. Deze term, deconstructie, is typisch zo’n woord dat telkens terugkomt in poststructuralistische literatuur.

Andere slagwoorden zijn representatie, intersectionaliteit, hegemonie, privilege, discours, subversiviteit en andere begrippen waarmee telkens een strijd wordt gesuggereerd tussen het dominante en het onderdrukte, het machtige en het onmachtige, het traditionele en het subversieve. Kortom, het is marxisme -klassenstrijd- op cultureel niveau.

De benaming Cultureel Marxisme wordt soms als paranoïde beschuldiging terzijde gelegd, maar zo werd het bij mij op de universiteit gewoon genoemd.

Wie op postructuralistische wijze een tekst wil analyseren (dat kan van alles zijn, niet alleen een letterlijke tekst maar ook bijvoorbeeld een film, televisieserie of game) ondervraagt de tekst kritisch en brengt de in de tekst besloten ‘machtsstructuren’ aan het licht.

Je hoeft hiervoor in feite niks te weten over de auteur, zijn of haar tijd, de traditie waarin de tekst staat of hoe er destijds op gereageerd werd. Sinds Roland Barthes de dood van de auteur aankondigde bestaat immers geen authorial intent meer. Je kunt teksten op allerlei manieren lezen en ze zijn allemaal geldig. Zo kun jij als degene die de analyse uitvoert alles met een tekst doen wat je wilt zonder je om de context te bekommeren.

oxford, universiteit

In het begin van je opleiding geconfronteerd met dergelijke theorieën, denk je met iets zeer complex en intellectueels te maken te hebben. Lekker ‘hegemoniale discoursen’ bevragen, ‘verborgen seksisme’ blootleggen, een ‘subversieve lezing’ geven van een tekst of het ‘historisch privilege’ behandelen van een bepaalde groep.

Na een tijdje ontdek je dat onder dit jargon, de newspeak en de holle slagwoorden zeer oppervlakkige ideeën schuil gaan, die niet uitgaan van het werk zelf, maar van de ideologieën, aannames en politieke agenda’s die aan de faculteit leven. Het is activisme: het enige dat je nodig hebt, is de juiste mindset: alles is een constructie, die ook weer gedeconstrueerd kan worden.

Een dergelijke werkwijze geeft je nauwelijks dieper inzicht, maar stelt je enkel in staat keer op keer dezelfde open deuren in te trappen. Oppervlakkige observaties over taal, machtsverhoudingen, symbolisme, rolpatronen in de samenleving en dergelijke worden gepresenteerd alsof het nieuwe ontdekkingen zijn. Ieder essay, elk paper en elke scriptie kun je in feite naar de gewenste conclusie schrijven.

Een werk beoordelen op zijn eigen merites gebeurt in zo’n geval niet. Kan ook niet, want de auteur is dood, weet je nog? Zoiets zou je af kunnen doen als narcistische eigenpijperij, maar het wordt doodserieus genomen. Generaties academici groeien hierdoor op met wordplay, met het idee dat de werkelijkheid een sociale constructie is die je kunt veranderen door zaken anders, dat wil zeggen, op de ‘juiste’ manier te benoemen. Het resultaat zie je onder meer terug in wat in de volksmond politieke correctheid heet: niet wat je doet is belangrijk, maar wat je zegt.

Nihilisme van politieke radicalen

De schutspatronen van deze stroming zijn Franse filosofen, schrijvers en denkers uit de vorige eeuw die de westerse waarden vrijwel allemaal verwerpen. Namen als Michel Foucault, Jacques Derrida, Roland Barthes en Gilles Deleuze. Stuk voor stuk politieke radicalen, communisten, (cultureel-) marxisten en activisten.

Dat mochten ze helemaal zelf weten, maar op de universiteit -de mijne althans- reppen hoogleraren en docenten met geen woord over de ideologieën en motivaties van deze lieden, terwijl hun theorieën als de Heilige Schrift worden gepropageerd.

afgestudeerd, universiteit

Niet alleen in Frankrijk ging het mis. Ook Duitstaligen bleef het intellectuele spiegeldoolhof niet bespaard, dankzij de leden van de zogenaamde Frankfurter Schüle. Zij zijn de grondleggers van de Kritische Theorie, een beweging gestoeld op het marxisme en vaak met het poststructuralisme op één hoop gegooid. De oprichters Theodor Adorno en Max Horkheimer waren Joodse Duitsers die naar Amerika wisten te vluchten om aan het nazi-regime te ontkomen.

Volgens hen was er na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog voor de westerse samenleving geen redding meer mogelijk. Ontdaan van alle hoop op vooruitgang en geloof in de (westerse) cultuur schreven ze hun traktaten. Begrijpelijk vanwege hun ervaringen, al waren ze vóór hun vlucht al verstokte marxisten.

Hun bekendste werk is de Dialektik der Aufklärung, waarin zowel de Verlichting als een door Adorno en Horkheimer ontwaarde ‘cultuurindustrie’, die de schaapachtige massa via vercommercialiseerde cultuur zoet houdt, duchtig van langs krijgen.

Kritiek op westerse waarden

De zienswijze van de Frankfurters sloot aan op en beïnvloedde het poststructuralistische denken zoals dat op Amerikaanse en Europese universiteiten in de jaren ’60 ingang kreeg, naar voorbeeld van de eerder genoemde Franse filosofen. De beweging breidde zich steeds verder uit naar andere onderdrukte groepen en lijfde feminisme in, de burger- en homorechtenbeweging en baarde kinderen als postkolonialistische studies, women’s-, black-, en queer studies en zo nog wat.

Al deze stromingen hebben gemeen dat ze forse kritiek leveren op de westerse waarden vanuit de wens activisme te bedrijven in plaats van wetenschap. Dit gebeurt van binnenuit, op westerse universiteiten door westerse studenten en professoren die wantrouwend staan tegenover de ‘ouderwetse’ canon van klassieke werken. Dat is immers maar gemaakt door dode, blanke mannen, representanten van een patriarchaal, onderdrukkend, kapitalistisch systeem. Wat moet een 21ste eeuwer daarmee? Helemaal als die niet blank en mannelijk is.

En dat terwijl de grote werken uit onze collectieve geschiedenis juist bewaard zijn en doorgegeven ómdat ze ons leren over de universele menselijke conditie die tijd, plaats, sekse, klasse, geaardheid en etniciteit ontstijgt. Niet voor niets schreef de Amerikaanse, zwarte burgerrechtenactivist W.E.B. Du Bois in 1903 over de klassieken: “I sit with Shakespeare, and he winces not. Across the color line I move arm and arm with Balzac and Dumas, where smiling men and welcoming women glide in gilded halls. From out of the caves of evening that swing between the strong-limbed Earth and the tracery of stars, I summon Aristotle and Aurelius and what soul I will, and they come all graciously with no scorn nor condescension.”

Slachtofferschap

Hoewel het opkomen voor onderdrukte groepen op zichzelf een nobel streven is, gaat het tegenwoordig niet zozeer om gelijkheid, maar om het zo nauwkeurig mogelijk definiëren van slachtoffers en daders. Iedereen is deel van een groep die ofwel onderdrukt ofwel geprivilegieerd is, naar analogie van de ouderwets marxistische economische klassenstrijd. Die obsessie met groepslidmaatschap zou in theorie betekenen dat een rijke, zwarte vrouw met droge ogen kan beweren dat een blanke dakloze ‘privilege’ heeft vanwege zijn raciale en biologische eigenschappen.

Het gevolg is dat de geesteswetenschappen enkel nog gaan over sociale effecten en ‘problematiseren’ van allerhande teksten en media in de strijd voor erkenning van slachtoffers. Het eigen maken van een ideologie is belangrijker geworden dan het ontwikkelen van eigen ideeën. Voor een paradigma dat claimt ideologieën te bekritiseren, is dat nogal paradoxaal.

En wat het helemaal potsierlijk maakt: omdat je als westerling alleen westerse werken mag ‘bevragen’, blijven verregaande onrechtvaardigheden in andere delen van de wereld buiten schot. Want dan ben je maar racistisch, oriëntalistisch, etnocentrisch, imperialistisch of kolonialistisch bezig.

academiegebouw, universiteit utrecht

Het paradigma cultiveert kortom een oppervlakkige obsessie met groepen, de identiteit van minderheden, slachtofferdenken en politiek-correctheid. Het gevolg is een schrijnend gebrek aan inlevingsvermogen, fantasie en empathie (Want wanneer iemand zegt: “Jij bent geprivilegieerd, dus je kunt me niet begrijpen”, waarom zou je het dan nog proberen?) en omdat de grote werken uit de westerse canon nauwelijks meer aan bod komen, raken afstudeerders elke binding met de rijke erfenis van hun eigen cultuur kwijt.

Wat je er voor terug krijgt? Irrationalisme en relativisme. Een collegereeks over immigratie waar de Parijse banlieux-rellen uit 2005 zonder blikken of blozen als bevrijdingsstrijd worden gepresenteerd. Een praatgroep voor ‘historici’ die er nog stééds van overtuigd zijn dat de Cubaanse revolutie toch echt voortreffelijk verlopen is. In een college over hate speech de bokkensprongen van Geert Wilders verdoemen maar degenen die hem met de dood bedreigen hypocriet vrijpleiten. Een landkaart in een huis voor internationale studenten die de geografische omvang van de ‘derde wereld’ gigantisch overdrijft: een veelzeggend politiek statement maar met geografie weinig van doen hebbend. Allemaal voorbeelden die ik ben tegengekomen tijdens mijn studietijd, in Nederland en daarbuiten.

Rariteitenkabinet

Sinds ik ben afgestudeerd is het er niet beter op geworden. Studenten opgevoed met het idee dat je met woorden kunt onderdrukken, willen vermeende tegenstanders inmiddels de mond snoeren vanuit de bizarre gedachte dat problemen daarmee vanzelf weggaan. En wanneer een astronoom het klaarspeelt om een sonde veilig op een komeet te landen, gaat alle aandacht uit naar het t-shirt dat hij draagt. Want seksistisch. Vervolgens eet de revolutie haar eigen kinderen op, want zelfs radicale feministen worden inmiddels door studentengroepen geweerd van de universiteit omdat hun stelling dat gender een constructie is, beledigend is voor transseksuele mensen. Volgt u het nog?

Wat het bastion van de westerse beschaving moet zijn, vervalt op deze manier tot een rariteitenkabinet. Geen wonder dat van de nieuwe studenten geesteswetenschappen aan Harvard er 57 procent na het eerste jaar de brui aan geeft. Gaan onze eigen faculteiten ook die kant op? Laten we dit tij keren!

Beeldmateriaal afkomstig van FlickR-gebruikers max ross, dirrksv en Kevin Dooley (Creative Commons-licensie). Afbeelding helemaal bovenaan: de Franse filosoof Michel Foucault.

Laatste update op 9-2-2015.